Kenniscentrum voor fietsbeleid

Fietsberaadpublicatie 29. Buitenmodelfietsen in stationsstallingen

CROW-Fietsberaad , CROW-Fietsberaad
2016
plaatje

Signalen over problemen met afwijkende fietsen in stationsstallingen waren voor NS en ProRail aanleiding om samen met CROW-Fietsberaad een onderzoek te starten naar de zogenaamde ‘buitenmodelfietsen’. Het is de eerste stap in de ontwikkeling van nieuwe beheerstrategieën. Deze publicatie bestaat globaal uit twee delen. In het eerste deel analyseren we de feiten en cijfers. In het tweede deel worden oplossingsrichtingen geschetst.

Bestand. Klik om de link te openen (opent in een nieuw venster):

Signalen over problemen met afwijkende fietsen in stationsstallingen waren voor NS en ProRail aanleiding om samen met CROW-Fietsberaad dit onderzoek te starten naar de zogenaamde ‘buitenmodelfietsen’. Het is de eerste stap in de ontwikkeling van nieuwe beheerstrategieën.

Deze publicatie bestaat globaal uit twee delen. In het eerste deel  (hoofdstuk 2 tot en met 6) analyseren we de feiten en cijfers. In het tweede deel (hoofdstuk 7) worden oplossingsrichtingen geschetst.

Wat is een buitenmodelfiets? (hoofdstuk 2)

Het eerste deel beginnen we de definitie van buitenmodelfietsen. Wat maakt een fiets tot een buitenmodelfiets? Dit wordt niet alleen bepaald door afwijkende kenmerken van het voertuig zelf, maar ook door kenmerken van het fietsparkeersysteem (het rek), het gebouw en de fietser (mens). De vier puzzelstukjes moeten in elkaar passen.

Fietsparkeersystemen (hoofdstuk 3)

In hoofdstuk 3 bekijken we het eerste puzzelstukje: de fietsparkeersystemen (de rekken). Elk systeem heeft zijn eigen voordelen en beperkingen. Toepassing van het keurmerk Fietsparkeur is geen garantie dat alle fietsen in een rek passen. Een belangrijke beperking van Fietsparkeur is dat onvoldoende rekening wordt gehouden met accessoires op de fiets. Om te kunnen voldoen aan de uiteenlopende wensen is een combinatie van verschillende fietsparkeersystemen per stalling gewenst.
ProRail past in stationsstallingen meestal twee typen systemen toe: het etagerek (vooral in inpandige bewaakte stallingen) en de Tulips (voor onbewaakte maaiveldstallingen). Dit hoofdstuk geeft een overzicht van beperkende maten van beide fietsparkeersystemen. 
Met etagerekken wordt een zeer hoge fietsparkeerdichtheid gerealiseerd, maar de consequentie is wel dat kleine afwijkingen in de fiets al snel leiden tot conflicten met ‘buurfietsen’, met tegenover geplaatste fietsen, met het rek, met de uitschuifgoot en/of met het plafond.
De Tulips zijn minder compact, maar hebben als nadeel dat het voorwiel altijd opgetild moet worden. Het gebruiksgemak kan aanzienlijk worden vergroot door de lage plekken zo aan te passen dat het niet meer nodig is het voorwiel op te tillen en een gootje toe te passen voor de hoge plekken.

Kenmerken van de fietser (hoofdstuk 4)

De behoefte aan afwijkende plekken wordt deels bepaald door kenmerken van verschillende groepen fietsers, zoals variatie in lichaamslengte en spierkracht. Zo vergen de bovenplekken in etagerekken voor een derde van de Nederlanders een te grote krachtsinspanning. Voor de nabije toekomst moet bovendien rekening worden gehouden met een verdubbeling van het aantal 65-plussers.

Kenmerken van de fiets en andere voertuigen (hoofdstuk 5)

Op basis van verschillende bronnen schetsen we in hoofdstuk 5 het volgende beeld van de variatie aan fietsen en andere voertuigen die gebruikmaken van de stationsstallingen:

  • Bijna 60 procent betreft standaardfietsen, die goed in de huidige fietsparkeersystemen passen.
  • Bijna 40 procent van de fietsen wijkt in beperkte mate af van de standaardfietsen, wat regelmatig problemen geeft in de standaardrekken. Het gaat vooral om beperkte afwijkingen door accessoires zoals kratjes, kinderzitjes en fietstassen. Daarnaast betreft het afwijkende kenmerken van de fiets zelf: vooral een hoger gewicht. Ook e-fietsen vallen in deze categorie. Het aantal e-fietsen in stationsstallingen is aanzienlijk lager dan verwacht zou worden op basis van het aantal e-fietsen in Nederland. 
  • Slechts een zeer klein deel betreft sterk afwijkende voertuigen, die met geen mogelijkheid in de fietsparkeersystemen passen. Denk aan bakfietsen, tandems en ligfietsen, maar vooral aan brom- en snorfietsen. Als er in een deel van het (stations)gebied parkeerverboden voor brom-/snorfietsen gelden, moet rekening worden gehouden met een aanzienlijk hoger aandeel brom-/snorfietsen op de plekken waar het wel toegestaan is deze tweewielers te parkeren. 

In dit hoofdstuk wordt verder uitgebreid ingegaan op de accessoires. Wat zijn de afmetingen en hoe vaak zijn problemen te verwachten? (Fietstassen soms, kratjes bijna altijd, kinderzitjes geven vooral problemen op benedenplekken van etagerekken.) Waar komen ze voor? (Fietstassen vaker in de bewaakte stalling, kratjes vaker in de onbewaakte stallingen, maar met een ‘de eerste 24 uur gratis’-regeling worden de kratjes naar de bewaakte stalling gelokt.)

Behoefte aan afwijkende plekken (hoofdstuk 6)

In hoofdstuk 6 wordt de behoefte aan afwijkende plekken verkend. Eerst met een theoretische benadering, door de puzzelstukjes uit de voorgaande hoofdstukken bij elkaar te voegen. Daarna door naar het feitelijke gedrag te kijken. 
De behoefte aan afwijkende plekken hangt sterk af van de bezettingsgraad van de stalling en het stallingsgedrag van de fietsers. Ter illustratie: als alle sterke fietsers hun fiets boven in de etagerekken zetten, is er onderin altijd voldoende plek voor de fietsers met minder spierkracht en/of zwaardere (elektrische) fietsen. De theoretische benadering resulteert in de volgende conclusies voor stallingen met een hoge bezettingsgraad en een optimaal stallingsgedrag:

  • Bij een bewaakte stalling met etagerekken is voor circa 18 procent van de fietsen behoefte aan afwijkende plekken;
  • Bij een onbewaakte stalling is voor ongeveer 30 procent van de fietsen behoefte aan afwijkende plekken. Dit cijfer is minder hard vanwege een globale schatting van het aandeel fietsers dat moeite heeft met het optillen van het voorwiel.

Een analyse van het feitelijke gedrag lijkt op het eerste gezicht deze cijfers te bevestigen: in de bewaakte stallingen staat 15 procent van de fietsen buiten de rekken en in de onbewaakte stallingen 29 procent. De werkelijkheid achter deze cijfers is echter complexer. Een groot deel van de fietsen met accessoires staat toch in de rekken. En andersom: veel standaardfietsen staan toch buiten de rekken. Bovendien zijn de verschillen tussen stallingen groot. Voor bewaakte stallingen is de stallingsdiscipline in combinatie met het toezicht en de service een mogelijke verklaring voor de verschillen. Bij de onbewaakte stallingen is het capaciteitstekort een belangrijke reden: veel fietsen staan noodgedwongen buiten de rekken omdat alles vol is.

Oplossingsrichtingen (hoofdstuk 7)

In hoofdstuk 7 doet CROW-Fietsberaad voorstellen voor beheerstrategieën die aan een aantal tegenstrijdige eisen moeten voldoen: tegemoetkomen aan de uiteenlopende wensen van fietsers, efficiënt omgaan met de ruimte en begrijpelijk zijn voor zowel klant als beheerder.
We adviseren om geen hard onderscheid te maken tussen standaardfietsen en fietsen die in beperkte mate afwijken door bijvoorbeeld accessoires. Een groot deel van de beperkt afwijkende fietsen past toch in de standaardrekken. En voor klanten en personeel is het onderscheid tussen standaard en beperkt afwijkend vaak moeilijk te maken. Daarmee valt 97 procent van de voertuigen in stationsstallingen in de categorie ‘Fietsen’.
Voor de categorie ‘Fietsen’ stellen we voor dat de klant kan kiezen uit minimaal twee comfortniveaus, namelijk standaardplekken (compactplekken) en ruimere ‘plusplekken’ (werktitel). In de zone met plusplekken worden altijd minimaal twee typen fietsparkeersystemen aangeboden: naast het fietsparkeervak ook een type rek dat geschikter is voor kratjes, kinderzitjes en fietstassen. We adviseren een marktverkenning naar deze plusrekken.
Om het gebruik van de plusplekken voor standaardfietsen enigszins te ontmoedigen, worden de principes van ‘natuurlijk sturen’ ingezet. De klant moet iets verder lopen om van de plusplekken gebruik te maken of eventueel iets extra betalen (de dubbelplusplekken). Daarnaast moet het gewenste stallingsgedag worden ondersteund door goede informatievoorziening, een duidelijke inrichting van de stalling (wayfinding), coaching, service en als sluitstuk handhaving.
Het regime voor de relatief kleine groep sterk afwijkende voertuigen verschilt iets voor bewaakte en onbewaakte stallingen. Daarnaast stellen sterk afwijkende voertuigen hogere eisen aan de toegankelijkheid van gebouwen, zoals hoogteverschillen, hellingbanen en draaicirkels. De categorie ‘Sterk afwijkende voertuigen’ kent drie subcategorieën met soms afwijkende regels die vooral samenhangen met milieu-aspecten: 1) sterk afwijkende fietsen zoals bakfietsen en tandems, 2) brom-/snorfiets met verbrandingsmotor, 3) invalidenvoertuigen.

Analyse centrumstallingen (Bijlage 6)

Op 28-09-2016 is bijlage 6 toegevoegd aan de publicatie. In de publicatie zijn cijfers over afwijkende fietsen in stationsstallingen geanalyseerd. Deze cijfers zijn door ProRail verzameld. In kader van het onderzoek zijn ook telgegevens over afwijkende fietsen in centrumstallingen verzameld door decentrale overheden en stallingbeheerders/exploitanten. In deze bijlage geven we een overzicht en analyse van deze gegevens. Hiermee geven we een beeld van het gemiddeld percentage beperkt afwijkende fietsen, door accessoires of onderdelen, en sterk afwijkende fietsen in centrumstallingen in Nederland. 

Friso Metz (Match Mobiliteit)
01-07-2016 @ 14:08

Merkwaardig dat fietsen met een kratje nog steeds worden gezien als 'afwijkende maat'. Als je op straat kijkt, is dit zo ongeveerd de 'standaardmaat'.

Reactie plaatsen

Alleen geregistreerde gebruikers kunnen een reactie plaatsen. Vul a.u.b. uw e-mailadres in om uw registratie te controleren

E-mail: