Het doorbelasten van de externe en infrastructuurkosten aan de mobiliteitsgebruiker via belastingen en heffingen, sluit aan bij het principe van ‘de vervuiler en de gebruiker betaalt’. Hoewel het geen doel van de overheid om de gebruiker de volledige externe en infrastructuurkosten te laten betalen, zijn deze belastingen en heffingen wel een instrument om de mobiliteitskeuzes mee te sturen en vooral om overheidsinkomsten te genereren.
Uit de studie van het KiM blijkt dat de externe en infrastructuurkosten bijna altijd hoger zijn dan wat de overheid binnenkrijgt. Alleen bij de gewone, niet-elektrische, fiets is dat anders. Fietsen levert gezondheidsvoordelen op die groter zijn dan de kosten voor de aanleg en onderhoud van fietspaden en de kosten van verkeersongevallen. De overheidsinkomsten van benzine- en dieselauto’s voor langere reizen over de snelweg zijn soms vergelijkbaar met hun externe en infrastructuurkosten, voor de korte en middellange autoreizen zijn de overheidsinkomsten altijd lager dan de externe en infrastructuurkosten. De bromfiets heeft relatief hoge externe en infrastructuurkosten, terwijl de bezitter relatief weinig belasting betaalt. En vanwege belastingvoordelen voor de elektrische auto scoort deze lager dan fossiele brandstofauto’s op de verhouding tussen overheidsinkomsten en externe en infrastructuurkosten.
De uitkomsten van de studie zijn gebaseerd op een analyse van negen binnenlandse voorbeeldreizen: een korte reis met fiets, bromfiets of auto en een lange en een middellange reis met auto, trein en bus. De resultaten bieden aanknopingspunten voor beleid om de bestaande prijsprikkels van verschillende modaliteiten, zoals het subsidiëren van de aankoop van minder vervuilende auto’s, meer in overeenstemming te brengen met externe en infrastructuurkosten en om externe kosten van mobiliteit te verminderen.
Het volledige rapport
Op binnenlandse reis met fiets, auto en openbaar vervoer is
hier te lezen.
Bron: Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid